zaterdag 14 januari 2017

Georges Sorel: Een Revolutionaire Socialist


Georges Sorel (1847-1922) kunnen we als een van de grote socialistische leiders van eind 19de eeuw, begin 20ste eeuw beschouwen. Net als in de geest van Charles Péguy, was ook hij iemand die Marx en Proudhon wist te verzoenen. Hij had een hoge mystieke en morele visie op de revolutie, waardoor hij reformisten zoals Jaurès verachtte; Zij [de reformisten] zouden de puurheid van de socialistische ideeën verraden uit naam van een verzoening met de bourgeoisie en de parlementaire democratie.

Net als bij Proudhon was bij Sorel het doel van de strijd voor sociale rechtvaardigheid allereerst moraal: Mannen moesten hun karakter sterken door de praktijk van de strijd. Het was juist door de vrije acties van de Syndicaten [vakbonden] dat de arbeidersklasse de grootheid van diens cultuur kon behouden, vrij van elk puur politiek doel. Verder verdedigde Sorel de waarden van de producenten, hun werk, inzet, creativiteit en vormen van materiaal, tegenover de decadente waarden van de bezittende klasse, die enkel begaan waren met hun eigen genot en de uitbuiting van het werk van anderen.

Sorel wees allereerst en bovenal het nihilistische hedonisme van de burgerlijke wereld af, evenals de complete afwezigheid van een sterke overtuiging bij de bourgeoisie dat onvermijdelijk het logische gevolg was van kortzichtigheid, kleinzieligheid en een bekrompen wereldbeeld. Echter, paradoxaal genoeg was er in de ogen van deze denker bijna geen verschil tussen het moralisme van de bourgeoisie en dat van de socialistische leiders: Als hij de middelmatigheid van de hedendaagse wereld van het kapitaal hekelde, dat niet langer de grote 'captains of industry' uit het verleden kende, had hij geen woorden hardvochtig genoeg voor de existentiële ellende die gevonden kon worden in de reformistische compromissen, of zelfs in de regelmatige stakingen van arbeiders om een paar sociale voordelen te realiseren voor louter cliëntelistische doeleinden.

Sorel eiste dat zij in plaats van deze stakingen het idee van de algemene staking, dat geleend was van Fernand Pelloutier, gebruikten als de regenererende mythe voor de arbeiderswereld. De algemene staking, aldus Sorel, moest in een geest van buitensporigheid leidend zijn, met als doel het realiseren van een revolutie die de moeite waard was en waarin het grootste deel van de arbeidersklasse werd bevrijd. Het moest niet opnieuw een economische logica vestigen, maar een ethische hervorming van de samenleving bewerkstelligen. Bovendien is dit hoe het proletariaat daadwerkelijk kon leren om zichzelf te zijn en haar meest opmerkenswaardige potentiëlen kon vervullen.

Hoewel Sorel lang een voorstander van Syndicaten was, zou hij immens teleurgesteld zijn door de evolutie van de sociale strijd. Daarom onderging hij een ideologische zoektocht. Deze zoektocht zou hem langs de kampen van de royalisten, nationalisten, bolsjewisten leiden tot hij uiteindelijk terugkeerde, niet zonder enig scepticisme, naar zijn aanvankelijke politieke liefdes. Ondanks zijn zoektocht evolueerden de ideeën van Sorel gedurende zijn leven niet zoveel qua inhoud. Zijn persoonlijke reis leidde ertoe dat hij van veel verschillende groepen en bewegingen lid werd, maar ook dat hij elke keer weer teleurgesteld was om te zien dat ideeën zo onverzettelijk als die van hem, nauwelijks op een brede ondersteuning konden rekenen. Uiteindelijk zou hij vrij gedesillusioneerd sterven...  



Met dank aan Thibault Isabel – Rébellion – 16 November, 2016

woensdag 11 januari 2017

Stijgend aantal dodelijke ongevallen in de Havens


DE EUROPESE VAKBONDEN DIENEN NU EINDELIJK SERIEUS TE KNOKKEN VOOR MEER VEILIGHEID IN DE HAVENS!


7 juli jl. – Ook in Hamburg werd het werk neergelegd in het kader van de wereldwijde ‘Actiedag in de havens’, gericht tegen de onveilige werkomstandigheden in de havensector.


In de afgelopen jaren nam het aantal dodelijke arbeidsongevallen op de containerterminals toe. Volgens de Europese Transport Federatie (ETF) werden er officieel alleen al in 2015 dodelijke ongevallen geregistreerd in de havens van Antwerpen, Bilbao, Bremerhaven, Helsinki, Oxelösund (Zweden), Sines (Portugal) en Valencia. Bovendien komen daar nog de ongevallen bij, welke zwaar lichamelijk letsel en arbeidsongeschiktheid tot gevolg hadden. Om nog maar te zwijgen over de toenemende werkdruk die de arbeiders uitput en afmat. Met de bouw van steeds grotere containerschepen en een tegelijkertijd dalende wereldhandel, wat de oorzaak is voor een grootschalige overcapaciteit, hebben de reders zichzelf in een klassieke overproductiecrisis gemanoeuvreerd, die kenmerkend is voor het kapitalisme. De reders willen hun winsten redden door middel van massale ,,kostenbesparingen”, wat niet meer inhoudt dan de zeelui en de havenarbeiders hiervoor te laten bloeden.


De reders en terminalbedrijven nemen deze ongevallen op de koop toe in hun streven naar winstmaximalisering. Het is de uitdrukking van de meedogenloze realiteit van de verhoudingen tussen arbeid en kapitaal: Arbeiders, ook degenen die beter betaald worden, verkopen hun arbeidskracht om te overleven; kapitalisten, die de productiemiddelen bezitten, halen uit deze arbeid van de arbeiders hun winsten. Hoeveel winst de kapitalist uit de arbeider kan persen, is afhankelijk van de strijd tussen de arbeidersklasse en de kapitalisten. Naast een beperkte loonsverhoging, of zelfs loondaling, kunnen er ook verschillende langere en arbeidsintensievere werkdagen worden ingevoerd. De vakbonden zijn nog altijd de verdedigingsorganisaties van de arbeiders, die niet alleen voor hogere lonen en soortgelijke eisen dienen te strijden, maar ook voor betere arbeidsomstandigheden en tegen de toenemende flexibilisering. Zeker in de industrie en in de transportsector zal de strijd voor meer werkveiligheid een potentiële versterking voor de vakbonden kunnen betekenen.


De havens zijn strategische knooppunten in de internationale handel, in de economie en daarmee belangrijk voor de bourgeoisie van de industriële landen. De industrie van het sterk van export afhankelijke Duitse imperialisme is aangewezen op het functioneren van de havens, waarvan Rotterdam, Antwerpen en het binnenlandse Hamburg en Bremerhaven zeer belangrijk zijn. De Duitse bourgeoisie heeft de uitbuiting van de Duitse arbeidersklasse geïntensiveerd d.m.v. het scheppen van een omvangrijke lage lonensector en met deze winsten haar leidende rol als exportmacht opgebouwd. Duitsland domineert Europa, zuigt de arbeidersklasse van de zwakkere landen uit en onderdrukt deze landen met behulp van de imperialistische EU. Tegelijkertijd betekent dat ook dat de havenarbeiders internationaal een reusachtige potentiële macht in handen hebben. De positie van de havenarbeiders en zeelui in de economie en industrie zal tot het bewustzijn leiden dat d.m.v. arbeidersmacht het kapitalistische winstsysteem tot stilstand te brengen is. Wat een en ander echter in de weg staat is de nationalistische en protectionistische politiek van de vakbondsbureaucratie, die zich aan de kant van de kapitalisten schaart.


De over de gehele wereld plaatsvindende aanvallen van de kant van de reders en havenbedrijven, evenals de ongevallen onder de havenarbeiders, hebben de beide overkoepelende havenvakcentrales ITF/ETF en IDC (International Dockers Council*) ertoe gedwongen om op 7 juli jl. een gemeenschappelijke ,,Wereldwijde Actiedag” te organiseren, om zodoende hun ,,(onveilige) arbeidsomstandigheden kenbaar te maken en een duidelijk signaal af te geven in de richting van een gezonde en veilige werkplek” alsmede om een minuut stilte te houden voor alle havenarbeiders die tijdens hun werk zijn omgekomen. Terwijl het in enkele havens, zoals bijvoorbeeld in Le Havre, maar ook in belangrijke havens aan de Amerikaanse Oostkust, tot een één uur durende staking kwam, waren er in andere havens slechts enkele korte werkonderbrekingen. Deze actiedag was weliswaar totaal ineffectief, maar toonde wel het symbolische potentieel aan van de internationale solidariteit van de havenarbeiders. Meer effectieve internationale klassenstrijd is noodzakelijk om de dodelijke winsthonger in de havens en op de schepen een halt toe te roepen. De havenarbeiders in Le Havre en Marseille toonden hun kracht, toen zij, vanaf 24 mei, meer dan twee weken lang de olieterminals in Frankrijk platlegden. Op deze wijze betuigden zij hun solidariteit met de staking van de raffinaderijarbeiders en vele anderen tegen de wet-El Khomri (loi travail) - een staking die bijna geheel Frankrijk plat wist te leggen.


 ______________
* Hierin zijn voornamelijk de meer radicale Zuid-Europese bonden, o.m. uit Spanje en Frankrijk (CGT), georganiseerd.



Dodelijke ongevallen in de havens van Hamburg en Bremerhaven


Een blik op de situatie van de havenarbeiders leidt onvermijdelijk naar het dodelijke ongeval van de 37-jarige Bülent Benli. Op 10 okt. 2014 stapte hij aan de Burchardkai bij de Hamburger Hafen u. Logistik AG (HHLA) in een werkbak om via de kraan aan boord gezet te worden – daarbij verongelukte hij dodelijk. Collega Benli was een zogenaamde dagloner, dat houdt in dat hij zonder vast contract werkte. Hij was werkzaam voor Gesamthafenbetrieb (GHB), de arbeidspool voor de gehele Hamburgse haven. Zijn dood komt voor rekening van de HHLA-kapitalisten, die aan hun reusachtige winsten en vette veiligheid op het werk. De HHLA is voor bijna 70% in het bezit van de stad Hamburg. De Burchardkai is de grootste containerterminal in Hamburg en heeft een voorbeeldfunctie, één van de grootste parels in de traditie van de Hamburgse havenbaronnen, die, precies als 100 jaar geleden, nog steeds van het werk van de dagloners profiteren.


Zoals collega’s in de haven al rapporteerden, zijn er diverse veiligheidsvoorschriften, - procedures en –maatregelen die de dood van Benli hadden kunnen voorkomen, maar die op de Burchardkai niet gebruikelijk waren. Op deze kade dienen de sjorders nog steeds te “communiceren” d.m.v. handgebaren naar de kraanmachinisten, die minstens 40 meter hoog zitten. Het zou veiliger zijn als er via de portofoon contact is tussen de sjorders resp. de botenbaas en de kraandrijver met een extra persoon ertussenin die altijd in kan grijpen wanneer de sjorders aan het werk zijn. Ook wordt er op de kranen aan de Burchardkai géén snelheidslimiet gehanteerd bij het transporteren van personen. Op veiligheidsmaatregelen besparen de HHLA-kapitalisten openlijk, want dat zou alleen maar meer personeel en uitrusting betekenen, wat dan ook weer de winsten minimaliseert. Daarom spelen ze liever met de levens van de sjorders.


Sjorders laden en lossen de containers op een schip en bevestigen deze met behulp van stackers. In het Hamburgse toneelstuk ,,Tallymann un Schutenschubser” omschreef een voormalige zeeman en havenarbeider de sjorders als ,,het goud van de kust”. En Volker Ippig, vroeger keeper bij FC St. Pauli, tevens dagloner en sjorder in de haven, verwoordde het in een interview met de taz van 28 juni 2009 zo: ,,Wanneer de stackerdraaiers eenmaal in een rap tempo aan de gang zijn, dan moet alles ook in dat tempo doorgaan. Urenlang kan je dat niet volhouden, maar wel een hele tijd. Zwaar werk? Ja, zeker. Maar wel goed werk, eerlijk werk”. Sjorders hebben het zwaarste en meest gevaarlijke werk in de haven. De terminalbedrijven besparen op de sjorders door lage lonen uit te betalen, indien zij deze sjorders niet elders goedkoper kunnen inhuren. En zelfs wanneer bedrijven zoals GHB wel cao-gebonden lonen betalen, dan alsnog krijgen sjorders het laagste cao-loon en niet het hoogste, zoals bijv. kraanmachinisten dat doen. Bij de dood van collega Benli speelde nog als extra factor mee dat hij namelijk nog maar sinds enkele weken volledig als sjorder werd ingezet, dit zonder enige vorm van opleiding en/of ervaring. En dat terwijl de GHB op haar website luidkeels verkondigt: ,,Kenmerkend voor het succes van GHB is het hoge kwaliteitsniveau van haar werknemers. Daarom staan bij ons opleiding en verdere scholing hoog aangeschreven. Wij bieden een goede scholing voor al onze werkplekken”. Mooie woorden van deze kapitalisten, maar de vakbonden kunnen er maar beter voor zorgen dat de werkplek inderdaad veilig is en dat de arbeiders ook daadwerkelijk de benodigde opleiding en verdere scholing krijgen.


Een ander zwaar ongeval gebeurde op 14 mei 2015 bij de North Sea Terminal Bremerhaven (NTB), toen de arm van een containerkraan afbrak en op de 52-jarige kraanmachinist Volker Hermann terecht kwam, wat hem fataal werd. De oorzaak van het afbreken van de kraanarm was een onopgemerkte scheur. Regelmatige adequate inspectie had dit ongeval kunnen voorkomen. Zo dringt zich de vraag op waarom deze scheur niet eerder werd opgemerkt en of dat niet ook bij andere containerkranen het geval is. In een artikel in het Verdi-tijdschrift Verkehrsreport van feb. 2015 werd de angst voor toekomstige ongevallen, zoals dat van collega Volker, wel aangekaart, maar de perspectieven van een vakbondsstrijd ertegen bleven echter uit. In plaats daarvan werd slechts kritiekloos gemeld dat de Wasserschutzpolizei de ,,verantwoording voor het onderzoek” op zich heeft genomen. Maar de politie zal altijd in het belang van de kapitalisten ,,bemiddelen”. Politie en justitie zijn centrale onderdelen van de kapitalistische staat en beschermen het uitbuiterssysteem.


Georganiseerde acties door de vakbond hadden ervoor kunnen zorgen dat de toestand van soortgelijke containerkranen periodiek gecontroleerd werd. Maar klaarblijkelijk is de dood van een havenarbeider in Bremerhaven door toedoen van een kraanarm géén reden voor de andere terminalbedrijven om hun kranen te laten inspecteren. Toen de kraanmachinisten bij de diverse terminalbedrijven tegelijkertijd met alle reders hun onvrede hieromtrent hadden geuit, werd hen door het management de mond gesnoerd, terwijl de bonden hierover weer zwegen. Een jaar later, op 11 maart jl., kwam het bij de Containerterminal Altenwerder (CTA, de geautomatiseerde terminal in Hamburg die door HHLA en Hapag-Lloyd wordt beheerd) tot een soortgelijk ongeval zoals in Bremerhaven. Een onontdekte scheur leidde tot het loslaten van een voertuigwiel, wat gelukkig zonder drastische gevolgen bleef. Teneinde al deze zaken snel in de doofpot te kunnen stoppen hebben de kapitalisten de arbeiders voorgelogen. Om veilig gebruik te kunnen maken van de containerkranen zijn grondige en precieze inspecties van levensbelang. Verdi dient hiervoor te knokken en tevens veiligheidsmaatregelen op het werk aan de orde te stellen en het initiatief te nemen tot de noodzakelijke arbeidersstrijd.


Terwijl het afbreken van de kraanarm in Bremerhaven alleen maar zorgde voor dramatische verslaggeving in de diverse media, doen de havenkapitalisten er over het algemeen alles aan om te voorkomen dat arbeiders en publieke opinie weet krijgen van zware en dodelijke arbeidsongevallen. Toen op 31 dec. 2009 collega Uwe Kröger (45), kraanmachinist bij Eurogate Hamburg, tijdens het werk een dodelijke hartaanval kreeg, duurde het volgens Rolf Geffken (advocaat en auteur van boeken zoals Arbeit u. Arbeiterkampf im Hamburger Hafen) anderhalf uur tot medische hulp hem op zijn locatie kon bereiken. Feit is dat op een containerkraan een levenloos of zwaargewond persoon alleen maar onder aanzienlijke inspanning te bergen is. Een traumahelikopter dient dan personeel te laten abseilen, maar in de omgeving van de containerterminals in Hamburg is zulke medische hulp niet beschikbaar. Buiten de BHV-ers zijn er geen hulpverleners resp. soortgelijke instellingen op de terminals, en het dichtstbijzijnde ziekenhuis is ver weg. Toen de weduwe van collega Kröger opheldering verlangde over de dood van haar man, ook om eventuele misstanden te laten onderzoeken, werd zij door de ondernemers belachelijk gemaakt en beledigd. Later drukte het Hamburger Abendblatt een lang artikel af, die de werkplek bovenin de kraan als ‘theaterloge’ in de haven afschilderde, maar verder zweeg over de dood van de betreffende collega. Geffken zegt hierover in een interview met de Junge Welt van 11 okt. 2011: ,,In de Hamburgse media heerst er de samenzwering van het zwijgen wanneer er een ongeluk in de haven heeft plaatsgevonden”. Het past in het beeld dat stelt dat de Hamburgse kapitalisten de burgerlijke pers in handen hebben om ongelukken te verdoezelen en daarmee elke vorm van kritische berichtgeving ondermijnen.



Collega Bülent Benli - Vermoord door de Hamburgse havenkapitalisten! 


Voor een strijdbare vakbondsleiding die zich baseert op de klassenstrijd!


Ook zware en dodelijke ongevallen bij Van Carriers (VC), die containers op de terminals lossen en op vrachtwagens laden, zijn schering en inslag. Op 30 nov. 2015 kwam op de Eurogate-terminal in Bremerhaven collega Kai Weinhold (VC-chauffeur) om het leven, toen hij met zijn voertuig kantelde. Omslaan, botsingen en brand komen vaak voor. Werkdruk, slecht wegdek, slechte lichtverhoudingen, verouderde techniek (of onvolledige nieuwe techniek) en zware inbreuken op de veiligheidsvoorschriften (en inspectiebezoeken) kunnen bij ongevallen met zulke zware machines logischerwijze tot levensbedreigende verwondingen of zelfs tot de dood leiden. Havenwerk behoort tot het meest gevaarlijke werk in de industrie, maar met deze aanhoudende onacceptabele omstandigheden (werkdruk en slechte omstandigheden) zijn verdere ongelukken, verminkingen en doden onvermijdelijk – het is gewoonweg moord op de arbeiders! Met zijn vierentwintig-uurs economie is de havenkapitalist er alles aan gelegen zijn machinale uitrusting maximaal te benutten, tot slijtage toe, dan zorg te dragen voor de noodzakelijke veiligheids- en onderhoudsinspectie.


De schuld in de schoenen te schuiven van enkele collega’s en hen aansprakelijk te stellen voor de veiligheid op het werk is een standaardgegeven van de kapitalisten en het is daarom de taak van de vakbonden om zich zo collectief mogelijk op te stellen samen met de leden, waarbij de laatsten onder ongekende druk staan om ,,hun taken” zonder onderbrekingen ,,uit te voeren”. De arbeider bevindt zich daarbij in een vicieuze cirkel: 


Ofwel wordt men door het bedrijf disciplinair gestraft omdat men te veel werk maakt van de veiligheid, ofwel negeert men de veiligheidsinstructies, waarbij uiteindelijk met de gezondheid en het leven wordt gespeeld. Wanneer de arbeiders in dit conflict de overhand willen behalen, dan dient de collectieve kracht van de vakbonden te worden ingezet. Het is een beslissende strijd, een steeds weer terugkerende krachtsinspanning om betere arbeidsomstandigheden af te dwingen en te behouden, in het bijzonder in het kader van de steeds veranderende omstandigheden in de havens. De arbeiders dienen tezamen met de vakbonden de controle over de veiligheid op de werkvloer te hebben. Vakbonden en Betriebsräte (OR-leden) moeten duidelijk maken dat zij in de positie zijn om de havenbedrijven plat te leggen indien er sprake is van gevaren. Betere arbeidsomstandigheden vergen vastberaden oplettendheid en strijd tegen de kapitalisten. In plaats van vertrouwen in de kapitalisten:


Vakbondscontrole! Havenarbeiders hebben hun eigen door de vakbonden gecontroleerde comités voor werkveiligheid nodig, met vertegenwoordigers die het recht hebben onzekere werkomstandigheden ter plekke te beïnvloeden. Het vraagstuk van de werkveiligheid betreft tegelijkertijd het vraagstuk van de klassentegenstellingen tussen arbeiders en kapitalisten. Betere werkomstandigheden voor de havenarbeiders betekent minder winst voor de reders en de havenbedrijven. Een strijd voor beter materieel, beter werkverloop en dito onderwijs staat haaks op de belangen van de kapitalisten. Hierbij heeft de arbeider het bewustzijn nodig dat hij zal verkrijgen gedurende de onverzoenlijke klassenstrijd tegen de kapitalisten.


In de havens aan de Amerikaanse Westkust heeft de havenvakbond ILWU in 1934 met een klassenkämpferische stakingsleiding o.a. het recht afgedwongen tijdens conflicten over werkveiligheid, die onder de haven-CAO vallen, het werk neer te leggen totdat er een vakbondsvertegenwoordiger op de werkplek verschijnt om de zaak op te lossen. Maar evenals vandaag de dag blijven zulke verworvenheden altijd bedreigd door aanvallen van de kant van de kapitalisten, en evenals de ILWU heeft ook Verdi een lange geschiedenis van konkelen met de havenbaronnen en akkoord gaan met verslechteringen in de CAO. Noodzakelijk is een klassenkämpferische vakbondsleiding, maar de huidige leiding staat onder de politieke controle van de sociaaldemocratie. De SPD en ook de Linke zijn burgerlijke arbeiderspartijen, partijen met een arbeidersbasis, maar met een burgerlijk kapitalistisch programma. Ze verbreiden illusies onder de arbeiders m.b.t. de kapitalistische staatsinstellingen, ook als het de werkveiligheid betreft. Arbeiders hebben daarentegen een revolutionaire arbeiderspartij nodig, onafhankelijk van de kapitalisten. En ze hebben een vakbondsleiding nodig die begrijpt dat de belangen van de arbeiders en kapitalisten fundamenteel aan elkaar tegengesteld zijn. Maar zolang de maatschappij in de handen van de kapitalisten is en op winst gebaseerd, kunnen de arbeiders alleen maar tijdelijke overwinningen afdwingen. Indien de arbeiders echter de staatsmacht in eigen handen nemen en het systeem van meerwaarde afschaffen, dan eerst kan er daadwerkelijk werk worden gemaakt van echte veiligheid op het werk!



maandag 26 december 2016

Enkele begrippen nader verklaard: Proletariaat, Bourgeoisie en Petit-Bourgeoisie


De walserij, Adolf von Menzel (1815-1905). Menzel was een van de eerste schilders die de industriële revolutie als thema koos.



I De bourgeoisie of kapitalistische klasse


Men geeft de naam bourgeoisie (of kapitalistische klasse) aan de uitbuitersklasse van de kapitalistische productiewijze. Waar komt deze naam vandaan? Ze heet kapitalistisch omdat zij de baas over het kapitaal is. En wat is het kapitaal? Allereerst moet opgemerkt worden dat kapitaalniet hetzelfde is als geld. Een vrek die zijn geld in een oude sok bewaard en het ook alleen maar bewaart, is geen kapitalist. Alleen dat geld gebruikt om productiemiddelen en arbeidskracht te kopen, om zo meer geld te krijgen dan erin geïnvesteerd is, d.w.z. om meerwaarde [1] te verkrijgen heet kapitaal.


Daarom kan niet iedere machine beschouwd worden als kapitaal. De naaimachine van een huismoeder, die ze gebruikt om kleren voor haar gezin te maken, kan men geen kapitaal noemen. Ook kan men het geld dat besteed wordt om arbeidskracht te kopen om huishoudelijk werk te doen géén kapitaal noemen. In deze gevallen produceren noch de arbeidskracht, noch de machines winst (liever gezegd: meerwaarde); ze worden allebei gebruikt om bepaalde diensten te verrichten.


De kapitalist, die bijvoorbeeld een fabriek wil bouwen, heeft niet altijd genoeg geld om dat te doen. Wat doet hij dan? Hij vraagt het te leen bij een bank, bij welke andere kapitalisten geld bijeen hebben gebracht. Hiermee zet hij een fabriek op en begint hij te produceren. Maar verkoopt hij meteen de zo verkregen producten? Over het algemeen niet, al moet hij snel het geld terugkrijgen om door te kunnen gaan met produceren. Als hij zou proberen door de verkoop van zijn producten het uitgegeven geld terug te krijgen, zou hij de fabriek een tijdje stil moeten leggen en dat zou hem nadeel berokkenen. Wat doet hij dan? Hij verkoopt zijn producten aan andere kapitalisten, opdat dezen ze op hun beurt aan de consumenten verkopen.


Zo krijgen we drie soorten kapitalisten:


de kapitalisten die eigenaar zijn van het geld, ofwel de bankiers
de kapitalisten in de industrie, de eigenaren van de fabrieken
de kapitalisten in de handel: de eigenaren van de distributie-bedrijven


De meerwaarde, die het productieproces als zodanig oplevert, wordt tussen deze drie verdeeld. Om welke reden staat de industriële kapitalist een deel van de meerwaarde, die hij aan zijn arbeiders onttrekt, af aan zijn twee collega-kapitalisten? Omdat hij zo aardig is en zijn vriendjes wilt helpen? Nee!


Hij doet het alleen maar, omdat het systeem hem dwingt van zijn twee collega's gebruik te maken om meer te verdienen. Wat hij verliest door de meerwaarde te delen, krijgt hij met winst terug doordat hij sneller met het productieproces door kan gaan. De industriële kapitalist eigent zich de meerwaarde toe. Maar omdat hij de samenwerking van de financiële en commerciële kapitalist nodig heeft om dit te benutten, zegt Marx dat deze laatste twee de meerwaarde tot stand brengen, d.w.z. dat zij hem concreet mogelijk maken.


De industriële kapitalist wint er niets bij, het product waarin de niet-betaalde arbeid of meerwaarde geconcretiseerd is, zelf te houden, als hij het niet voor elkaar krijgt dit product te verkopen. Dit is namelijk nodig om het beginkapitaal terug te krijgen plus het toegevoegde geld, dat vervolgens kapitaal wordt.


Marx noemde deze interne verdeling binnen de kapitalistische klasse of bourgeoisie; een verdeling in klassenfracties:

de financiële bourgeoisie
de commerciële bourgeoisie, en
de industriële bourgeoisie


Tussen deze verschillende fracties kunnen tegenstellingen bestaan; maar die zijn steeds ondergeschikt aan de belangrijkste tegenstelling: die tussen de gehele kapitalistische klasse en het proletariaat.


Deze verdeling van de bourgeoisie in fracties bestaat vooral tijdens de vrije concurrentie periode van het kapitalisme. Later leidt namelijk de kapitalistische centralisatie tot de fusie van industrieel, commercieel en financieel-kapitalisme. Dit is het stadium van het monopolie-kapitalisme, waarin de drie soorten kapitaal zich weer in dezelfde handen concentreren. Dan komen er nieuwe tegenstellingen naar voren in de kapitalistische klasse: tussen de monopolistische bourgeoisie en de rest: de niet-monopolistische middelgrote en kleine bourgeoisie, die op verschillende manieren te lijden hebben van de monopolistische uitbuiting.


Tenslotte is het belangrijk erop te wijzen, dat de kapitalistische klasse gebruik maakt van de industriële, commerciële en financiële mechanismen om het hele kapitalistische productieproces te controleren en te leiden.


We noemen daarom de bourgeoisie of kapitalistische klasse de klasse, die het kapitalistische productiesysteem controleert en leidt. Met bijeengegaard (geaccumuleerd) geld koopt zij productiemiddelen en arbeidskracht ten einde meer geld te krijgen dan zij geïnvesteerd had om het proces op gang te krijgen; geld dat zij verkrijgt uit niet-betaalde arbeid van arbeiders in de industriële sector. [2] 


II Het begrip proletariaat of arbeidersklasse


Het proletariaat (of de arbeidersklasse) is de klasse, die uitgebuit wordt door de kapitalistische productiewijze. Kunnen wij al die mensen die geen productiemiddelen bezitten en hun arbeidskracht moeten verkopen voor loon om te leven, als het proletariaat omschrijven? M.a.w. is proletariaat hetzelfde als de klasse van mensen in loondienst?


Een zo brede definitie zou onder het begrip 'proletariaat' al die mensen verstaan die hun arbeidskracht verkopen; en ze zou geen onderscheid maken tussen het kopen van arbeidskracht om meerwaarde te verkrijgen en het kopen van arbeidskracht om bepaalde diensten te laten verrichten, hetzij privé (huishoudelijke hulp bijvoorbeeld), hetzij voor de gemeenschap (belastingsambtenaar bijvoorbeeld). Even zo goed als niet ieder mens die geld bezit kapitalist is, is niet iedereen die zijn arbeidskracht verkoopt een arbeider.


De arbeidersklasse wordt alleen gevormd door die mensen, die door hun arbeidskracht te verkopen, meerwaarde produceren of realiseren voor hen die arbeidskracht kopen; d.w.z. zij wordt gevormd door de arbeiders in de industrie, in de handel en bij de banken.


Zoals we al eerder hebben gezien, zijn de commerciële en de financiële kapitalisten even kapitalistisch als de industriële, hoewel alleen op het niveau van de industriële productie meerwaarde wordt verkregen. Zo zijn de arbeiders, die in de handel of bij de banken werken even zo goed arbeiders als zij die in de industrie werken. Dat de bourgeoisie de arbeiders die in de handel en bij banken werken employe's noemt, is niets anders dan de zoveelste manier om de arbeidersklasse te verdelen. Zo hebben we drie sectoren van de arbeidersklasse te onderscheiden, die corresponderen met de drie fracties van de bourgeoisie:


arbeiders in de industrie
arbeiders in de handel, en
arbeiders bij de banken


Door te stellen dat alleen mensen als arbeider beschouwd kunnen worden, die het aan de koper van hun arbeidskracht mogelijk maken meerwaarde te verkrijgen, beperken wij het begrip proletariaat of arbeidersklasse tot alleen die mensen die direct verbonden zijn met het productieproces en de distributie van goederen. We sluiten dus in dit begrip niet in die arbeiders, die hun arbeidskracht voor een loon aan de staat verkopen: ambtenaren (leraren, militairen, rechters e.d.), of aan organisaties of personen waarvoor zij bepaalde diensten verrichten (kappersbedienden, dienstmeisjes, tuinlieden etc.).


Nadat we dit eerste onderscheid hebben gemaakt, moeten we ons nog afvragen of we al die mensen, die hun arbeidskracht voor een loon binnen het productieproces en de goederendistributie verkopen, als arbeidersklasse of proletariaat kunnen beschouwen. Als we dit doen moeten we ook de fabrieksdirecteuren en hoge chefs in de fabrieken, de distributiebedrijven en de banken als 'arbeiders' beschouwen. Om dit te verduidelijken zullen we eerst moeten bekijken, welke rol deze mensen in de moderne bedrijven spelen.


In de moderne bedrijven, met hun ver doorgevoerde arbeidsspecialisatie, moet er een groep arbeiders zijn, die als belangrijkste functie heeft: Het coördineren van de verschillende gespecialiseerde soorten werk en het leiden van de gehele gang van zaken in het bedrijf. Dit coördinatie- en controlewerk betreft de verschillende secties of productie-eenheden van het bedrijf, tot op het hoogste niveau. Dit wordt beheerd door de directeur, de lagere niveaus door het middenkader. Deze arbeiders, die het werk op de verschillende niveaus controleren en coördineren, vervullen een technische functie. Deze is noodzakelijk voor de voortgang van het bedrijf, precies zoals de dirigent bij een orkest onmisbaar is om het spel van de verschillende musici te coördineren. Maar in het kapitalistische systeem hebben deze arbeiders niet alleen een technische functie, maar ook en vooraleen uitbuitingsfunctie, omdat zij de kapitalist vertegenwoordigen. In de kleine bedrijven zijn het de kapitalisten zelf die de productie leiden en coördineren; maar naarmate hun bedrijven groeien delegeren zij deze functies aan een speciaal soort arbeider.


Precies zoals bij het militaire leger, vereist het arbeidersleger geplaatst onder het bevel van de kapitalist een hele reeks generaals (directeuren en chefs) en officieren (inspecteurs, opzichters e.d.), die gedurende het arbeidsproces namens de kapitalist het bevel voeren. Deze 'arbeiders' zijn dus bemiddelaars tussen de arbeiders en de kapitalisten en vertegenwoordigen de belangen van het kapitaal tegenover de arbeiders. Terwijl zij een organisatorische functie in het productieproces vervullen, dienen zij als een verlengstuk van de kapitalistische uitbuiting. Dit is voor de arbeiders zo duidelijk, dat zij vaak een grotere haat koesteren tegen deze arbeiders, die de gehele dag op hun handen zitten te kijken, dan tegen de baas, die slechts sporadisch in de fabriek verschijnt.


Deze verandering van functie moet gepaard gaan met een mentaliteitsverandering van de chefs e.d. tegenover de arbeiders, die onder hun leiding staan. Er moet een geest van wederzijdse samenwerking in het bedrijf bestaan; een geest van hulp aan de arbeiders bij hun nieuwe verantwoordelijkheden; nieuwe methoden van leidinggeven, waardoor de creatieve participatie van alle arbeiders gestimuleerd wordt. Het is belangrijk om in te zien, dat administratieve en organisatorische functies noodzakelijk zijn en dat daarom chefs en bedrijfsleiders onmisbaar zijn in elk bedrijf. Ook is het niet makkelijk voor de arbeiders om deze functies, van de ene dag op de andere, zelf te vervullen, omdat ze een voorbereiding vereisen die over het algemeen jaren duurt.


Kortom: Niet alle arbeiders, die hun arbeidskracht verkopen tegen een loon, maken deel uit van het proletariaat of de arbeidersklasse. Sommigen niet, omdat zij hun arbeidskracht verkopen om diensten te verlenen op het niveau van de bovenbouw of van de onderbouw, en niet om meerwaarde te produceren of te realiseren; anderen niet, omdat ze hoewel ze ertoe bijdragen, dat er meerwaarde geproduceerd wordt
als belangrijkste functie het uitbuiten van de aan hen ondergeschikte arbeiders hebben, zodat deze zoveel mogelijk meerwaarde voor de kapitalist produceren. 


Wij noemen proletariaat of arbeidersklasse dan ook die klasse, die door het kapitalistische productiesysteem uitgebuit wordt en die gevormd wordt door arbeiders, die direct verbonden zijn met de goederenproductie en distributie, die hun arbeidskracht voor loon verkopen om meerwaarde te produceren of te realiseren door deel-arbeid te verrichten, en die onder bevel van hun superieuren staan, die het proces op verschillende niveaus controleren.


III Het begrip kleine bourgeoisie (kleine burgerij)


Tot nu toe hebben we de twee grote klassen van de kapitalistische maatschappij bestudeerd: Het proletariaat en de bourgeoisie, die voortkomen uit de kapitalistische productieverhoudingen. Toch bestaan er in elke maatschappij ook nog andere, historisch bepaalde, productieverhoudingen, voor een deel uit de tijd van voor het kapitalisme. Deze productieverhoudingen, zoals ze bestonden in de slaven- en de feodale maatschappij of in de primitieve gemeenschap, kunnen lange tijd naast de kapitalistische verhoudingen blijven voortbestaan.


Dit is het geval geweest met enkele inheemse gemeenschappen in bepaalde Latijns-Amerikaanse gebieden. En het was ook zo in de slavenmaatschappij in het Zuiden van de Verenigde Staten terwijl zich in het Noorden een kapitalistische industrie ontwikkelde. Naarmate echter de overheersende verhoudingen hechter worden, verdwijnen langzamerhand de ondergeschikte, voor-kapitalistische verhoudingen, om op hun beurt in kapitalistische te veranderen. Door het verdwijnen van deze verhoudingen ontstaat er een specifieke productieverhouding: Die van de kleine onafhankelijke producenten die hun producten op de kapitalistische markt verkopen. Door hen 'kleine onafhankelijke producenten' te noemen geven wij aan, dat het arbeiders zijn, die eigenaar zijn van hun productiemiddelen en die geen arbeid van anderen uitbuiten. Zij leven van hun eigen arbeid en die van hun familie en de opbrengst hiervan is over het algemeen net genoeg om in leven te blijven. Dit is het geval met de kleine boer, die een klein stukje grond bezit, dat door hemzelf en door zijn familie wordt bewerkt; en met de naaister, die thuis kleren maakt en de traditionele ambachtsman, die in zijn eigen werkplaats werkt. Maar deze kleine producenten moeten, om hun producten op de markt te verkopen, concurreren met de grote kapitalisten, die veel goedkoper kunnen produceren. De wetten van de kapitalistische concurrentie doen hen verdwijnen en voeren het grootste deel van hen tot het proletariaat (proletarisering). Slechts enkelen van hen slagen erin, dankzij heel speciale omstandigheden om, kapitalist te worden.


Uit het bovenstaande blijkt, dat deze groep als een sociale klasse mag worden beschouwd, die verschilt van het proletariaat en de bourgeoisie in de kapitalistische maatschappij. Deze klasse noemen we: kleine bourgeoisie (of ook wel kleine burgerij). We onderscheiden een kleine bourgeoisie die zich richt op de productie: Ambachtslieden, kleine boeren; en een kleine bourgeoisie die zich richt op de handel: Kleine rondtrekkende handelaren, winkeliers, kioskhouders etc.


De kleine bourgeoisie echter is een overgangsklasse, omdat zij gevormd wordt uit kleine onafhankelijke producenten en handelaren die gebonden zijn aan de kapitalistische markt; het is een klasse die gaat verdwijnen omdat ze uiteenvalt in proletariaat en bourgeoisie. Daarom is het een klasse die tegenstrijdige belangen heeft; aan de ene kant wil ze graag rijker worden en kapitaal verwerven, omdat dit het haar mogelijk zou maken om tot de bourgeoisie of kapitalistische klasse te gaan behoren. Maar aan de andere kant ziet ze zichzelf steeds meer onderdrukt en opgeslokt worden door de kapitalistische klasse, die haar dwingt tot het proletariaat te gaan behoren, met het gevolg dat ze zich met de belangen daarvan gaat vereenzelvigen.

Zo blijkt de kleine bourgeoisie met haar tweeslachtige belangen een soort tussenklasse tussen proletariaat en kapitalisten te zijn.


We noemen kleine bourgeoisie die sociale klasse, die gevormd wordt door kleine onafhankelijke producenten, die hun producten op de markt verkopen.


De kleine burgerij vormt op grond van haar klassenpositie (tussenpositie, innerlijke tegenstrijdigheid) dan ook de sociale basis van het fascisme.



Extra Notities:
[1] Omtrent de kapitalistische klasse: De kunstenaar (schilder, tekenaar, schrijver) zet zijn krachten ook in voor diegenen die geld hebben, een kunstenaar moet leven. Men vindt niet toevallig zeer moeilijk schilderijen en prenten over de situatie van de arbeiders in de vorige eeuw. Daar hebben die kunstenaars geen tijd voor ( 'n paar uitgezonderd Zie de binnenzijde van deze brochure). Let maar eens op wie er allemaal op die oude schilderijen staan: Rijke burgers, adel... Wie spelen de hoofdrol in de boeken en toneelstukken? De wetenschappers gaan hun kennis inzetten voor degenen die geld hebben. De wetenschapper zegt dat hij objectiefis, bemoeit zich niet met politiek en dergelijke. Hij vraagt zich niet af waar zijn uitvindingen voor gebruikt zullen worden en wie zijn kennis benut. Tot de dag van vandaag, is het belangrijk wie in de kapitalistische landen profiteert van die kennis: De rijken, want die kopen kennis en worden daardoor rijker. Maar ook dat verandert. Want in zijn strijd ontwikkelt de arbeidersklasse zijn eigen kennis. (Bron: Brochure voor volksontwikkeling)

[2] Meerwaarde = een deel van de totale waarde die door de arbeiders geschapen wordt en die de eigenaars van de productiemiddelen zich toeëigenen. De kapitalist koopt de arbeidskracht van de arbeiders. Door hun arbeid voegen de werknemers aan de oorspronkelijke waarde van de grondstoffen een nieuw geschapen waarde toe. Een deel hiervan verhoogt de productiekosten, nl., de tegenwaarde der lonen (= veranderlijk kapitaal of vk); een ander deel vertegenwoordigt de meerwaarde, nl. de tegenwaarde van het meerwerk (= mw). Indien wij dit vanuit het standpunt van de arbeidsduur en -kracht bekijken, zien wij dat de totale arbeidsdag bestaat uit een sociaal noodzakelijke arbeidsduur (a) en een toegevoegde arbeidsduur (b). Tijdens (a) werkt de arbeider voor de reproductie van het verbruikte kapitaal (ck + vk). Tijdens (b) schept hij een waarde die niet aan hem vergoed wordt, maar die door de patroon toch op de markt gebracht wordt. De waarde van dit meerwerk of meerproduct is de meerwaarde.



woensdag 14 december 2016

De Vergeten Misdaden van het US imperialisme: Napalm op Noord-Korea


DE VERNIETIGINGSVELDTOCHT VAN DE US AIR FORCE TEGEN DE VOLKSDEMOCRATISCHE REPUBLIEK KOREA


Terwijl Noord-Korea met zijn atomair bewapeningsprogramma vanuit het gezichtspunt van George W. Bush (en, dient eraan toegevoegd, ook Obama!) tot de “As van het Kwaad” behoort, hebben de Amerikanen zelf zich zoals vanzelfsprekend de rol van het onschuldslam eigen gemaakt. Daarbij was het uitgerekend het Amerikaanse imperialisme, dat vanaf de jaren '40 telkens weer opnieuw massavernietigingswapens in Noordoost-Azië heeft ingezet. Op welke schaal de US Air Force Noord-Korea destijds “naar het stenen tijdperk” heeft gebombardeerd, laat een blik in de archieven zien. 






De Korea-oorlog (1950-1953) wordt vaak als de 'vergeten oorlog' betiteld, maar beter is het om te spreken van een 'onbekende oorlog'. Ook vandaag de dag blijft bij iemand, die zich intensief met deze oorlog bezig houdt, nog steeds permanent in herinnering, hoe vernietigend de uitwerking van de luchtaanvallen was, waarmee de US Air Force destijds Noord-Korea bestookte. De US Air Force beperkte zich niet tot systematische tapijtbombardementen met brandbommen, maar dreigde tevens met het inzetten van atomaire en chemische wapens. Nog in de eindfase van de oorlog werden de reusachtige stuwdammen van Noord-Korea verwoest. Terugblikkend wordt de Korea-oorlog überhaupt slechts als een beperkte militaire confrontatie gezien. In werkelijkheid echter had de manier waarop deze oorlog werd gevoerd opvallend veel gelijkenis met de luchtoorlog van 1943-1945 tegen het keizerlijke Japan – vele Amerikaanse bevelhebbers in de Korea-oorlog waren nog dezelfden als destijds die in de oorlog tegen Japan. Terwijl echter de aanvallen met atoomwapens op Hiroshima en Nagasaki (6 en 9 augustus 1945) ondertussen vanuit diverse gezichtspunten zijn onderzocht, hebben de aanvallen met brandbommen op Japanse en Koreaanse steden veel minder aandacht gekregen. En nog minder bekend is, dat de Verenigde Staten ook nog na de Koreaoorlog in Noordoost-Azië al hun kaarten bleven zetten op hun superieure luchtmacht en de atoomwapens. Hiermee heeft het Amerikaanse imperialisme de politieke opties van de DPRK (= Democratic People's Republic of Korea (Volksdemocratische Republiek Korea – n.v.d.r.)) gedefinieerd en de nationale veiligheidsstrategie van Pjongyang beslissend gevormd.


Napalm – een brandbare gelatine-achtige massa, die voor 33% uit benzine, voor 21% uit benzol en voor 46% uit polystyreen bestaat – werd al in 1942 ontwikkeld aan de Harvard Universiteit. Tegen het einde van de Wereldoorlog werden napalmbommen voor het eerst boven Japanse steden afgeworpen. Pas dertig jaar later, tijdens de Vietnamoorlog, werd napalm voor de publieke opinie tot een begrip – toen de foto van de latere Pullitzerprijsdrager Nick Ut de wereld rond ging, die aanwezig was geweest bij de napalmaanval op Trang Bang (Noord-Vietnam) op 8 juni 1972: De negenjarige, naakte Phan Thi Kim Phuc en andere kinderen lopen huilend op de fotograaf (en waarnemer) af. Op de foto ziet men op de achtergrond het land in vlammen opgaan. Boven Korea werden oneindig meer napalmbommen afgegooid dan boven Vietnam, en hun werking was veel verwoestender, omdat zich in de Volksdemocratische Republiek Korea (DPRK) meer stedelijke bevolkingsconcentraties met een grotere bevolkingsdichtheid als in Noord-Vietnam bevonden evenals meer industriële installaties in stedelijke gebieden. Nog in 2003 – op een bijeenkomst van oorlogsveteranen – gaf een Amerikaanse soldaat, die bij de strijd om de Changjinstuwdam een oog had verloren, als zijn mening, dat napalm weliswaar een verschrikkelijk wapen was geweest, maar desniettemin toch de “juiste mensen” zou hebben getroffen (!). Vanzelfsprekend vielen er ook de nodige slachtoffers door 'friendly fire': Een overlevende herinnert zich: “Rondom mij had het napalm de mannen verbrand. Ze rolden zich heen en weer in de sneeuw. Mannen, die ik persoonlijk kende, met wie ik schouder aan schouder gemarcheerd en gevochten had, smeekten mij om hen dood te schieten. Het was gruwelijk. De verbrande huid viel ogenblikkelijk af, van het gezicht, van de armen, van de benen.” In februari 1951 werd New York Times-journalist George Barrett in een dorp ten noorden van Anyang (Zuid-Korea) ooggetuige van een scene, die hij later omschreef als het “macabere zinnebeeld van de totaliteit van de moderne oorlog”: “In het dorp en op de rijstvelden waren de dorpsbewoners getroffen en gedood, en allen waren midden in de beweging verstard, die ze bezig waren uit te voeren, toen de napalmaanval hen trof: Een man was juist bezig om op zijn fiets te klimmen, in een tehuis voor wezen speelden vijftig jongens en meisjes, een huisvrouw, waaraan men opmerkelijk weinig kon zien, hield nog een uit een catalogus gescheurde verkoolde bladzijde in haar hand, waarop ze een artikel had aangekruist met het nummer 3811294 ter waarde van 2,98 dollar.” Minister van Buitenlandse Zaken Dean Acheson beval destijds om dergelijke 'sensatieverslagen' meteen te rapporteren aan de instanties belast met de militaire censuur – teneinde publicatie ervan te verhinderen. 


Een van de eerste orders om dorpen en steden plat te branden is gedateerd van augustus 1950, toen in de regio om Pusan, in het uiterste Zuid-oosten, heftig werd gevochten. Op 6 augustus diende een officier van de US-Army een verzoek in bij de US Air Force om “de volgende steden van de kaart te vegen: Chongsong, Chinbo en Kusu-dong”. In die periode werden eveneens lange afstandsbommenwerpers van het type B-29 opgeroepen, die tactische doelen dienden aan te vallen. Op 16 augustus bombardeerden vijf B-29 eskaders een gebied in de buurt van het front, waar zich vele dorpen en steden bevonden, die onder honderden tonnen napalm in een zee van vlammen werden verwoest. Op 20 augustus volgde een nieuwe dergelijke aanval. En op 26 augustus rapporteerde het luchtmachteskader: “Elf dorpen platgebrand!” Weliswaar hadden de piloten formeel order om hun doelen uitsluitend na visueel contact aan te vallen, opdat het aantal burgerslachtoffers beperkt zou blijven. Maar vaak genoeg bombardeerde men grotere bevolkingscentra slechts met behulp van radarbeelden of men gooide reusachtige hoeveelheden aan napalm op zogeheten “secundaire” doelen, indien het primaire doelwit buiten bereik was. Tijdens een grootscheepse luchtaanval op de industriestad Hungnam werd 500 ton springstof dwars door een gesloten wolkendek afgeworpen, dus uitsluitend radargeleid. Dit zorgde voor een reusachtige muur van vlammen, op sommige plaatsen wel tot honderd meter hoog. Alleen al op 12 augustus 1950 gooide de US Air Force boven Noord-Korea een bommenlast van 625 ton af. Eind augustus was het per dag reeds 800 ton, een groot deel ervan zuivere napalm. In het tijdvak juni – eind oktober 1950 gooide de B-29 bommenwerpersvloot boven Korea in totaal 877.914 gallon (= 3.281.270 liter) napalm af. Officials van de Air Force toonden zich enthousiast gezien de prestaties van dit nog betrekkelijk nieuwe wapen. Er werden grapjes gemaakt m.b.t. de officiële protesten van communistische zijde, terwijl in de pers de leugen werd opgedist van het zogeheten 'precisiebombardement’. Ook verkondigde men graag dat de burgerbevolking via pamfletten van te voren op de hoogte werd gebracht van in aantocht zijnde bommenwerpers. Hoe onzinnig zoiets was wisten de piloten zelf.


Nadat tienduizenden Chinese vrijwilligers de grens waren overgetrokken en actief in de strijd op de grond hadden ingegrepen volgde daarop het totaal met de grond gelijkmaken van verreweg de meeste grote en middelgrote steden in het Noorden. Begin november 1950 gaf generaal MacArthur (toendertijd opperbevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten in geheel Oost-Azië) het bevel om tienduizenden km2 aan Noord-Koreaans gebied vanuit de lucht compleet in de as te leggen en zodoende een soortement van zone van verbrande aarde te creëren tussen Chinese grens ener- en de militaire frontlijn anderzijds. Zoals de goed geïnformeerde Britse militaire attaché destijds vanuit MacArthurs HQ rapporteerde, gaf deze de order om “alle communicatie- en bevoorradingsfaciliteiten evenals alle fabrieken, alle steden en alle dorpen te vernietigen”. Het tapijtbombardement diende zijn aanvang te nemen aan de grens met Mandsjoerije en vervolgens in zuidelijke richting te worden voortgezet. Alleen de stad Najin aan de grens met de Sowjet-Unie alsmede de stuwdammen aan de grensrivier de Yalu dienden gespaard te blijven teneinde Sowjets en Chinezen niet bovenmatig te provoceren. Op 18 november 1950 gooiden 79 B-29 bommenwerpers boven Sinuiju 550 ton aan brandbommen af, de stad werd “ausradiert” (compleet van de kaart geveegd). Een week later regende het napalm op Hoeryong teneinde de stad “totaal plat te branden”. Op 25 november stonden grote delen van het noord-westen tussen de Yalu en de frontlijnen in het Zuiden compleet in vlammen. Indien dit zo door gaat zal de regio weldra verworden tot een “uit verbrande aarde bestaande wildernis”, aldus het Britse rapport.


Dit alles vond plaats nog vóór het eerste grote Noord-Koreaans-Chinees tegenoffensief, waardoor de US/UN-strijdkrachten uit het Noorden werden teruggedrongen. Onmiddellijk na het begin van dit tegenoffensief viel de US Air Force de hoofdstad Pjongyang aan met 700 500-ton bommen (14-15 december 1950). De Mustangs waren niet alleen uitgerust met napalm, maar eveneens met 175 ton explosieve bommen voorzien van ontstekers met een vertragingsmechanisme – de bommen explodeerden pas op het moment dat de berging van de doden uit de napalmbranden in volle gang was. Begin januari beval Matthew Ridgway, bevelhebber van het Achtste Leger, een nieuwe aanvalsgolf tegen Pjongyang te vliegen. Doel: “Het totaal in de as leggen van de stad door middel van brisant (brand-)bommen” – hetgeen dan ook na twee aanvallen ook daadwerkelijk gelukte. Toen de Amerikaanse strijdkrachten zich genoodzaakt zagen om tot achter de 38e breedtegraad (= democratielijn tussen Noord- en Zuid-Korea cq. het “IJzeren Gordijn” tussen het Russisch en het Amerikaans bezette Korea – n.v.d.r.) terug te trekken werd de strategie van de verbrande aarde ook daar voortgezet: Uijongbu, Wonju en andere kleinere steden in het Zuiden werden platgebrand, zodra de 'communisten' de Amerikanen te dicht op het lijf kwamen.


De US Air Force ondernam ook verwoede pogingen om de politieke leiding van de DPRK te elimineren. Staats- en partijleider Kim Il Song en zijn naaste adviseurs hadden zich tijdens de ijzig koude winter van 1950-1951 ingegraven in de diep onder de grond gelegen bunkers van Kanggye in de buurt van de grens met Mandsjoerije. Nadat de Amerikanen na de landing bij het Inch-on-bruggenhoofd drie maanden lang tevergeefs alles in het werk hadden gesteld om de DPRK-leiding te lokaliseren, werden door B-29 bommenwerpers zogeheten 'Tarzanbommen' op Kanggye afgeworpen – reusachtige, nieuw ontwikkelde 12.000 pond-bommen, die hier voor de eerste keer werden ingezet. Een nog krachtiger bom zou eerst in 2003 tijdens de oorlog tegen Irak het licht zien: De beruchte 'moeder van alle bommen' met een gewicht van 21.500 pond en een explosieve kracht van 18.000 pond TNT. Op 9 juli 1950, twee weken na het begin van de oorlog, verstuurde generaal MacArthur een “dringende mededeling” aan generaal Ridgway, welke de Joint Chiefs of Staff ertoe bracht om “in overweging te nemen of aan MacArthur geen atomaire wapens ter beschikking gesteld zouden dienen te worden”. De chef operaties generaal Charles Bolte werd verzocht samen met MacArthur de inzet van kernwapens als “directe ondersteuning van grondtroepen” te bespreken. Bolte ging er destijds vanuit, dat tien tot twintig van deze bommen voor gebruik op het Koreaanse schiereiland zouden kunnen worden gereserveerd zonder daarbij de capaciteit van de Verenigde Staten voor de globale oorlogsvoering “bovenmatig” aan te tasten. MacArthur deed Bolte allereerst het voorstel om kernwapens voor tactische doeleinden in te zetten, die onder meer zouden resulteren in het militair bezetten van het Noorden, teneinde bij een potentiële interventie van reguliere Chinese en Sowjettroepen deze op Noord-Koreaans gebied de terugtocht af te snijden. MacArthur: “Korea is in mijn ogen een doodlopende steeg. De enige straten, die vanuit Mandsjoerije en Wladiwostok naar Korea leiden, lopen langs vele bruggen en tunnels: Hier zie ik een unieke kans om de atoombom in te zetten, want op die manier zou men het gehele traject blokkeren; het repareren ervan zou minstens zes maanden in beslag nemen. En mijn B-29 vloot kan gedurende die periode weer wat op adem komen.” Op dat tijdstip verwierpen de Joint Chiefs of Staff echter het gebruik van de atoombom nog en wel om drie redenen: 1e ) Er waren géén doelen beschikbaar, die voor nucleaire wapens omvangrijk genoeg zouden zijn geweest; 2)e Het was onduidelijk hoe de reactie van de internationale opinie zou zijn – slechts vijf jaar na Hiroshima en Nagasaki; 3)e De militaire top ging er nog vanuit, dat een overwinning ook met behulp van conventionele militaire middelen nog zou zijn te bewerkstelligen. Dit laatste bleek echter al snel een misrekening te zijn, toen in oktober en november (1950) grote aantallen Chinese vrijwilligers in het krijgsgebeuren ingrepen.



Toen president Truman tijdens zijn beruchte persconferentie van 30 november (1950) het dreigement uitte, dat de Verenigde Staten, indien noodzakelijk, ertoe over zouden gaan om alle wapens van hun arsenaal in te zetten, was het een ieder duidelijk wat daarmee werd bedoeld. Het dreigement was geen uitglijder, zoals destijds algemeen werd aangenomen, integendeel, hieraan lag een plan ten grondslag, dat voorzag in het gebruik van de atoombom als laatste mogelijkheid. Nog op dezelfde dag gaf generaal Stratemeyer (US Air Force) het bevel aan generaal Hoyt Vandenberg om aan het Strategic Air Command (SAC) de order te geven om zich stand-by te houden “voor het onmiddellijk overbrengen van bommen van een middelgroot kaliber naar het Verre Oosten – deze versterking (van het arsenaal) dient ook atomaire wapens te omvatten”. Echter, de bevelhebber van het SAC, generaal Curtis LeMay, herinnerde zich nog goed, dat de Joint Chiefs in een eerder stadium van mening waren geweest, dat atoomwapens in Korea waarschijnlijk niet van nut zouden zijn, uitgezonderd als onderdeel van een “alomvattende nucleaire veldtocht tegen Rood-China”. Mocht deze order nu niet meer van kracht zijn (o.a. omdat Chinese eenheden zich thans in de strijd hadden gemengd) dan wenste LeMay in dat geval zelf het commando op zich te nemen. Hij deelde Stratemeyer mee, dat uitsluitend SAC-HQ zowel over de nodige ervaring en technische training als ook over de “diepere kennis” m.b.t. de wapens die de bommen naar hun doel dienden te brengen beschikte. De man, die in maart 1945 het afwerpen van brisantbommen op Tokio had bevolen (130.000 doden in een enkele nacht!) en die in 1948 de luchtbrug naar Berlijn had georganiseerd, bood zich opnieuw aan om het commando over de bombardementen in het Verre oosten op zich te nemen. In die tijd maakte men zich er nauwelijks zorgen over, dat de Sowjets met kernwapens terug zouden kunnen slaan. De Verenigde Staten beschikten over minstens 450 bommen, de USSR evenwel slechts over 25. Op 9 december 1950 verklaarde MacArthur dat iedere bevelhebber op het Koreaanse schiereiland vanaf nu de vrije hand had bij het inzetten van kernwapens. Op 24 december presenteerde hij een lijst met doelwitten, waarvoor hij 26 atoombommen incalculeerde. Nog eens vier atoombommen waren bedoeld om rechtstreeks op de “invasietroepen” te worden afgeworpen en daarnaast nog eens vier op “dreigende concentratiepunten van de vijandelijke luchtmacht”. In postuum gepubliceerde interviews beweerde MacArthur een plan te hebben uitgewerkt, waarmee hij de oorlog binnen tien dagen zou hebben gewonnen: “Ik zou meer dan 30 atoombommen op het gehele grensgebied met Mandsjoerije hebben gegooid”. Vervolgens zou MacArthur dan aan de Yalu, de grensrivier tussen China en Noord-Korea, meer dan een half miljoen Kwo Min Tang-troepen in de strijd hebben geworpen (Kwo Min Tang – nationalistische Chinezen die na de nederlaag tegen het Volksbevrijdingsleger in 1949 zich op Taiwan hadden teruggetrokken) alsmede een met radioactief kobalt besmette landzone tussen de Japanse en de Gele Zee hebben gecreëerd. Aangezien kobalt actief blijft tussen 60-120 jaar, zou er derhalve “minstens 60 jaar géén invasie over land vanuit het Noorden richting Zuid Korea mogelijk zijn geweest”. MacArthur toonde zich overtuigd, dat “de Sowjets in het aangezicht van deze extreme strategie niets zouden hebben ondernomen: “Mijn plan was absoluut waterdicht”.Kobalt 60 beschikt over een wel 320 keer zo sterke radioactiviteit als radium. Een waterstofbom van 400 ton kobalt is in staat om elk menselijk en dierlijk leven op aarde te vernietigen. In de geciteerde interviews wekt MacArthur de indruk van een door de oorlog bezeten maniak, maar hij is bij lange na niet de enige, die deze indruk wekt. Al voor het gemeenschappelijke tegenoffensief van Chinezen en Noord-Koreanen waren de leden van een commissie van de Joint Chiefs unaniem tot de conclusie gekomen, dat atoomwapens de “beslissende factor” zouden zijn om een Chinese interventie in Korea te verhinderen. Met behulp van atoomwapens zou men in staat zijn om een “Cordon Sanitaire” te creëren op Mandsjoerijs gebied, onmiddelbaar noordelijk van de Koreaanse grens. 



Amerikanen werpen Napalm op civiele doelen in Korea



EEN RADIOACTIEVE BESMETTE ZONE ALS GRENS 


Het Amerikaanse Congreslid voor de Democraten, Albert Gore (in latere jaren een fel tegenstander van de Vietnamoorlog) klaagde toendertijd: “In Korea worden Amerikaanse mannen door de gehaktmolen gedraaid”. Teneinde hieraan een einde te maken, diende men, zo stelde hij voor, “iets absoluut verschrikkelijks” te doen, bijvoorbeeld een strook land tussen Noord en Zuid aan radioactieve straling blootstellen en daardoor bewerkstelligen dat het Koreaanse schiereiland voor eeuwig en altijd in twee helften zou zijn gedeeld. En hoewel generaal Ridgway, nadat hij MacArthur als opperbevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten in het Verre Oosten had vervangen, het idee met de kobaltbommen niet verder naging, herhaalde hij in mei 1951 de eis van zijn voorganger en verlangde thans 38 atoombommen. Deze werden evenwel niet ter beschikking gesteld. Begin april 1951, dus exact in de periode, toen MacArthur door Truman werd ontslagen, stonden de Verenigde Staten op het punt om toch kernwapens in te zetten. Hoewel veel van de dienaangaande informatie nog steeds geheim wordt gehouden, is men het er ondertussen over eens, dat president Truman zijn opperbevelhebber in Oost-Azië niet alleen vanwege diens herhaaldelijke insubordinatie aan de kant heeft gezet, maar vooral omdat hij een absoluut betrouwbare opperbevelhebber ter plekke wenste, indien men tot het inzetten van atoomwapens zou besluiten. Met andere woorden: MacArthur kreeg zijn congé juist vanwege Trumans nucleaire politiek!


Op 10 mei 1951 had MacArthur een “atomaire capaciteit voor D-Day” geëist teneinde de controle over het Koreaanse luchtruim te kunnen bestendigen. Want ondertussen had de Chinese Volksrepubliek zijn reguliere troepen langs de Koreaanse grens massaal versterkt en de Sowjets hadden 200 bommenwerpers overgebracht naar luchtmachtbases in Mandsjoerije, die vanaf daar niet alleen geheel Korea, maar tevens ook de Amerikaanse bases in Japan konden aanvallen. Op 16 maart noteerde generaal Vandenberg: “Finletter en Lovett zijn vanwege de discussies inzake kernwapens in alarmtoestand. Ik denk, dat alles klaar is voor actie.” Eind maart rapporteerde Stratemeyer, dat de installaties voor het uitrusten met atoombommen op de luchtmachtbasis Kadena (Okinawa) weer functioneren en dat het wachten nu eigenlijk alleen nog op de eigenlijke atomaire lading is. Op 8 april bevalen de Joint Chiefs een onmiddellijke atomaire vergeldingsslag tegen de militaire bases in Mandsjoerije ingeval van het ingrijpen in de strijd op de grond van de kant van grote aantallen nieuwe Chinese vrijwilligers of van het vanaf daar starten van bombardementsvluchten tegen Amerikaanse doelen. Dezelfde dag nog begon Gordon Dean, de leider van de Amerikaanse atoomenergiecommissie (AEC), met de voorbereidingen voor het overdragen van negen Mark IV-atoomkoppen aan de Negende Bommenwerpersgroep van de US Air Force, die als drager van de atoombommen was aangewezen. Op 6 april 1951 verkreeg generaal Omar Bradley, de toenmalige chef van de generale staf, de toestemming van Truman om de Mark IV-atoomkoppen over te hevelen “van de AEC naar de supervisie van het leger”. Tegelijkertijd ondertekende Truman de order voor het gebruik van de kernkoppen tegen doelen in China en Noord-Korea. De Negende Bommenwerpersgroep werd naar Guam (Stille Oceaan) overgebracht. Echter, “in de verwarring, die ontstond na het ontslag van generaal MacArthur” werd Trumans order nooit verzonden. Hiervoor waren er twee redenen: 1)e Truman maakte gebruik van de crisis om van de Joint Chiefs de toestemming te verkrijgen voor het afzetten van MacArthur; 2)e De Chinezen stelden zich in de oorlog eerder behoedzaam op. Daarom stegen de bommenwerpers uiteindelijk niet op. De negen Mark IV-koppen werden evenwel niet aan de AEC geretourneerd, maar bleven na hun overdracht op 11 april onder suspiciën van de US Air Force.


De Negende Bommenwerpersgroep bleef weliswaar gestationeerd op Guam, werd evenwel niet verplaatst naar de basis Kadena op Okinawa, waar de beladingsinrichtingen voor de Mark IV zich bevonden. In juni 1951 overwogen de Joint Chiefs andermaal om kernwapens in te zetten, dit keer echter als tactisch gevechtswapen. Gedurende de gehele oorlog, tot aan het einde aan toe, wemelde het van dergelijke voorstellen: Robert Oppenheimer, de vroegere leider van het Manhattan-project, had ook een aandeel aan het “project Vista”, dat tot doel had om te onderzoeken in hoeverre kernwapens ook voor tactisch gebruik geschikt waren.  Begin 1951 werd een jongeman, Samuel Cohen genaamd, door het Amerikaanse Ministerie van Defensie als oorlogswaarnemer op geheime missie naar Seoel gestuurd, dat toen voor de tweede keer door de Amerikanen was veroverd. Zijn taak: het ontwikkelen van een methode, met welke men de vijand kan vernietigen zonder de stad te verwoesten. Cohen werd later dan ook tot de vader van de neutronenbom. Het meest afschuwelijke atoomproject, dat de Verenigde Staten in Korea nagingen, was vermoedelijk operatie Hudson Harbor. Blijkbaar maakte deze operatie deel uit van een omvangrijker project, welke eveneens voorzag in de samenwerking van Pentagon en CIA bij het onderzoek naar “eventueel gebruik van wapens van een nieuw soort” – een eufemistische benaming voor hetgeen tegenwoordig algemeen “massavernietigingswapens” wordt genoemd. Maar ook zonder het inzetten van dergelijke “wapens van een nieuw soort” – aangetekend dient hierbij dat ook napalm destijds nog tamelijk “nieuw” was – werd Noord-Korea door deze luchtoorlog, waarvan miljoenen mensen het slachtoffer werden, met de aardbodem gelijkgemaakt. De overlevenden huisden in grotten. Drie jaar lang leefden de mensen dagelijks met de angst door napalm te worden verbrand. “Er was eenvoudig géén ontkomen aan”, aldus een Koreaan dertig jaar later. Op 20 juni 1953 meldde de New York Times in een vette kop de executie van Julius en Ethel Rosenberg in de Sing Sing-gevangenis in New York – in zijn motivatie van het vonnis had de rechter het echtpaar ook indirect voor de dood van 50.000 Amerikanen in de Koreaanse oorlog verantwoordelijk gesteld. De kleingedrukte oorlogscommuniqué's van dezelfde dag bevatten een communiqué van de US Air Force inzake het bombardement van de stuwdammen van Kusong en Toksan (NoordKorea) evenals en passant de mededeling dat de Noord-Koreaanse radio “grote schade” aan de twee waterreservoirs had toegegeven. Op dat tijdstip was de landbouw de enige sector van de economie, die in Korea nog enigszins functioneerde. De aanvallen op de twee stuwdammen vonden plaats in de lente van 1953 – korte tijd nadat de boeren het moeizame inplanten van de rijst hadden voltooid. Vele dorpen gingen onder in de vloedgolf of werden “meegesleurd met de stroom”, zelfs Pjongyang, 27 mijl zuidelijk van een dam gelegen, stond voor de helft onder water. In de officiële geschiedenis van de US Air Force valt na te lezen, dat de overstroming, die door het in elkaar storten van het waterreservoir van Toksan werd veroorzaakt, zes kilometer spoor, vijf bruggen, twee mijl straatweg en vijf vierkante mijl rijstveld verwoestte. In 200.000 arbeidsdagen werd het reservoir na het einde van de oorlog weer hersteld. Ook de in 1932 gebouwde dam aan de Pujon-rivier, die met zijn stuwcapaciteit van 670 miljoen m3 niet alleen een 200.000 KW-energiecentrale in bedrijf hield, maar tevens de rijstvelden onderaan de stuwmuur van water voorzag, werd getroffen.* Met betrekking tot het aantal boeren, die bij de aanvallen op deze en andere dammen hun leven verloren, zijn er geen officiële cijfers beschikbaar. Men ging er echter vanuit dat deze boeren een “loyale” houding innamen ten opzichte van de vijand en “de communistische strijdkrachten op rechtstreekse wijze behulpzaam waren”. Haar vernietigingswerk leerde de US Air Force: “Aan de vijand werd op exemplarische wijze de totaliteit van de oorlog gedemonstreerd, die zich uitstrekt over de gehele economie en alle mensen van een natie. In het verloop van de oorlog “richtte de US Air Force verschrikkelijke verwoestingen aan in geheel Noord-Korea”, vat Conrad Crane samen. “De balans van de door luchtbombardementen aangerichte schade, die ten grondslag lag aan de onderhandelingen over een wapenstilstand, stelt, dat 18 van de 22 grootste steden op zijn minst voor de helft waren verwoest.” Zo werden bijvoorbeeld de twee grote industriesteden Hamhung en Hungnam voor 80% verwoest, Sinajnu voor 100% en Pjongyang voor 75%. Een Britse verslaggever, die een van de duizenden verwoeste dorpen had bezocht, vond nog slechts “een lage, uitgestrekte muur van paarse as”. En generaal William Dean, die na de Slag van Taejon (juli 1950) in Noord-Koreaanse gevangenschap was geraakt, deed later verslag dat de meeste steden en dorpen in het Noorden “ruïnes of besneeuwde, kale vlakten” waren geweest. Nagenoeg elke Koreaan, die hij toen had ontmoet, had wel familieleden door luchtbombardementen verloren. Zelfs Winston Churchill toonde zich ontdaan en verklaarde tegenover Washington, dat niemand zich aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen het napalm als wapen werd uitgevonden, er een voorstelling van had kunnen maken, dat daarmee eens de burgerbevolking van een compleet land zou worden “overgoten”.



Slachtoffers van Amerikaans oorlogsgeweld ontvluchten hun huizen 


Dit was dus het ware gezicht van deze zogeheten “beperkte oorlog” in Korea. Als een 'in memoriam' op deze onbeteugelde luchtoorlog dient nog de beschrijving ervan door zijn bedenker, generaal Curtis LeMay, geciteerd. In 1966 zei deze over het begin ervan in een interview het volgende: “Wij schoven bij het Pentagon als het ware een papiertje onder de deur door, waarvan de inhoud zo ongeveer als volgde luidde: 'Laat ons toch vijf van de grootste steden in Noord-Korea platbranden – zo groot zijn ze niet – en hiermee moge dan de gehele kwestie geregeld zijn.' Welnu, als antwoord volgde het verontwaardigde geschreeuw van vier, vijf personen: 'Jullie zullen een heleboel niet-combattanten doden' en 'nee, dat is te afgrijselijk'. Maar toen hebben we in een tijdsbestek van ongeveer drie jaar elke stad in Noord-Korea en ook in Zuid-Korea platgebrand. Tja, uitgesmeerd over een tijdvak van drie jaar kan men dat kennelijk accepteren, maar een paar mensen te doden, opdat een en ander überhaupt niet eens plaatsvindt, dat kunnen veel mensen nu juist niet verdragen.”